Het wonder van de lente

Laatst bijgewerkt: zondag 08 maart 2020 Gepubliceerd: zaterdag 07 maart 2020 Geschreven door Lode Caes

Die winter is verganghen,
Ic sie des meien schijn,
Ic sie die bloemkens hanghen
Des is mijn hert verblijt.
So ver aen ghenen dale
Daer ist ghenoechlic sijn,
Daer singhet die nachteghale
Al so menich woutvoghelkijn.

 

Dit Oud-Nederlands lied komt uit een handschrift van Weimar uit 1537. De melodie komt uit het Luitboek’ van Johan Thysius (1600). Ook in het Italiaans kent men dit lied: L’inverno e passato’. Ik wil het evenwel niet hebben over dit prachtig lied, neen, ik wil even stilstaan bij mijn jaarlijks terugkerende verwondering dat plots alles weer in bloei staat. Het begint bij de sneeuwklokjes, de krokussen, de paasbloemen en het stopt niet meer!

In het lied Daar is de lente’ van Jan Dewilde krijgen de blaadjes bomen en worden de katten krols. Wonderlijk toch, alsof vooraf afgesproken is dat de flanken van de Kemmelberg blauw kleuren van de hyacinten en de Japanse kerselaars als op een onzichtbaar teken, allemaal in bloei staan. Geuren en kleuren! Wonderlijk!

Hoe komt dat toch? Wie of wat geeft hier het signaal dat de lente mag starten? En wie of wat regelt de andere seizoenen die elk jaar terugkomen… in steeds dezelfde volgorde… zolang de klimaatverwarming niet alles in de war stuurt?

Mijn wedervaren met een boom

Toen ik (nvdr:Jef Coulembier), begin de zeventiger jaren, aan de universiteit studeerde, zat ik op kot met uitzicht op de kleine achtertuin. Daar stond één boom. Op geregelde tijdstippen, en steeds vanaf de zelfde plaats, maakte ik foto’s van de boom. De eerste zwart-wit-afdruk toonde een boom die al wat bladeren was verloren. Na een hevige herfststorm waren er alleen nog kale takken. Na een vriesnacht glinsterden ijsparels op de takken in de laaghangende zon. De eerste sneeuw bleef op de takken liggen. Een echt kunstwerk. De partiële examens verstoorden de regelmaat waarmee ik foto’s van de boom maakte. Pas in februari nam ik de tijd om mijn boom even van dichterbij te bekijken. Met mijn schoenen in het zompige gras bedacht ik me dat de boom weinig tekenen van leven gaf. De stam was op vele plaatsen bedekt met mos, wat me aan een doodskleed deed denken. Was mijn boom aan het sterven? Komt het nog goed? Moest ik mijn boom niet omarmen en er lieve woorden tegen spreken zoals ik eens op een ‘cursus expressie’ had zien doen? Ik wou mijn jas niet bevuilen en bekommerde me verder niet om de boom. Zou ik daar spijt van krijgen?

Een zijsprongetje naar het onderwijs

Ik ging verder werken aan mijn eindwerk maar de boom bleef me toch intrigeren. Niet toevallig zoals laten zou blijven want het onderwerp van mijn thesis was ‘Wereldoriëntatie’, afgekort W.O. Ja, hetzelfde letterwoord dat beter bekend stond als Werkelijkheidsonderricht’, een vak in de lagere school. In het Rijksonderwijs (nu GO) hield men het bij de term 'Milieustudie'. Beide onderwijsvakken gaan terug op de pedagoog Ovide Decrolly en zijn Centres d’intérêts’ (Belangstellingscentra).

Decroly ging uit van de stelling dat het niet de taak is van het onderwijs om de leerling belangstelling voor zijn leefwereld bij te brengen maar dat men moet vertrekken van waar de leerling eigenlijk zelf interesse voor heeft. Een copernicaanse omwenteling, gelijkaardig aan de stelling dat niet de zon rond de aarde draait, maar de aarde rond de zon. Met die instelling trok ik naar de scholen van het Heuvelland om aan de kinderen te vragen wat hen interesseerde. Zo ging ik bij de kinderen en hun onderwijzers op zoek naar het antwoord op de vraag: “Welke vragen hebben kinderen van de lagere school?” Ik bundelde al die vragen en kwam tot een viertal fundamentele categorieën. Afgezien van het feit of het om 'initiële' dan wel om 'aanvullende' vragen ging, of om 'interpretatie- of opinievragen' ging, stond ik eerder stil bij de vraag of kinderen wel vragen hebben.

Echte vragen, geen vragen om de aandacht te trekken, maar vragen die getuigen van een stilstaan bij dingen en gebeurtenissen. Vragen hebben en stellen, is immers het gevolg van nadenken. Een vraag stellen, toont aan dat men de dingen en de gebeurtenissen niet als vanzelfsprekend vindt en dat men antwoorden én de waarheid gaat zoeken àchter die dingen en gebeurtenissen!

"Wie niet wordt als een kind, gaat het rijk der hemelen niet binnen"

En zo kom ik terug bij mijn boom, de lente en de opeenvolgende seizoenen. Staan we daar eigenlijk nog bij stil of heeft de vanzelfsprekendheid het stellen van vragen verdrongen? Kunnen we nog verwonderd zijn als we zien dat alles plots in bloei staat, dat de vogels al van ’s morgens vroeg weer beginnen te kwelen, dat de zwaluw terug is en dat, in de wei, nu ook lammetjes van schapen en geiten bij mama-schaap of mama-geit aanschurken? Kleine kinderen geven spontaan uiting van hun verwondering en bewondering. We kunnen van hen leren om opnieuw authentiek naar de veranderingen in de natuur te kijken.

Terug naar mijn boom

Mijn boom was mijn natuur in het klein. In de lente stond hij in volle bloei. Nu pas kreeg mijn boom een naam. Het bleek een lijsterbes te zijn. De boom kreeg constant bezoek van vogels. Ik zag hoe merels met takjes en blaadjes kwamen aangevlogen om in de haag van de buren een nest te maken. Nog later zaten een viertal mereljongen onder mijn boom met opengesperde bekjes te wachten tot ze gevoederd werd. Hoe ze daar geraakt zijn, heb ik niet gezien, maar des te meer viel hun aanhoudend schreeuwen op. Later zag ik hoe ze probeerden te vliegen, eerst waggelend opspringend. Ze hielden het vol en een paar bereikten zelfs de laagste takken van mijn boom. 

De wonderen van de natuur 

Eén van de eerste boeken die ik als kind kreeg, was een album getiteld ‘De wonderen der natuur’. Met geduldig opgespaarde artispunten kon je prenten bekomen om in te kleven. Urenlang, en bij herhaling, heb ik me zitten verdiepen in de geïllustreerde literatuur over de fauna en de flora. Dat voedde mijn interesse en ik bedacht hoe regen en wind de natuur vooruithelpen. Hoe, na een hete dag, er nachtelijke verkoeling komt. Hoe na een lange droogte er weer neerslag komt en hoe de natuur zich telkens weer herstelt. En is daar een verklaring voor? Ja, natuurlijk, je moet niet naïef zijn. Dat is de natuur en die volgt gewoon, zo simpel is het, de wetten van de natuur!

OK, laat mij dan maar naïef zijn, zeg maar gelovig. Ik weet en denk en voel, met alles wat ik heb en ben, dat er iets meer achter zit! Dat iets is Iemand. Het is de Natuurwetgever zelf. En wie kan dat anders zijn dan onze God, de Schepper van hemel en aarde, onze Schepper, onze Vader. Lieve Vader, dank voor het wonder van de lente… en zoveel meer want met Jou voel ik me nooit alleen. (Tussen haakjes, Moslims kunnen niet begrijpen dat er mensen zijn die niet in Allah of God geloven. “Hoe kan dat”, zeggen ze, “kijk om je heen en je ziet overal Zijn werk!”)

Hits: 2611