Agenda

Geen activiteiten gevonden

Langs dezen weg zet geenen voet of zeg Weesgegroet Maria ...

Laatst bijgewerkt: vrijdag 21 mei 2021 Gepubliceerd: maandag 26 april 2021 Geschreven door Lode Caes

Op vele plaatsen bestaat nog de hardnekkige maar toch teruglopende traditie om in de meimaand, in groep de rozenkrans te bidden aan een van die vele veldkapelletjes. Op het eerste gezicht lijken ze in het landschap, als klein historisch erfgoed, de stille getuigen te zijn van een verleden zonder veel toekomst. Die zwakte is echter ook hun kracht omdat ze de veruitwendiging zijn van een diepgewortelde volksreligiositeit.

De mens is meer dan z'n verstand. Hij handelt vaak vanuit z'n gevoel, verbeelding, intuïtie, angst of vreugde. Vele uitingen van volksdevotie leunen daar nauw bij aan. Die kende vroeger een hoge vlucht in de vorm van novenen, processies, confrérieën, congregaties allerhande ... maar is nu net als de geloofsbeleving in het algemeen, veeleer teruggedrongen naar de privé-sfeer. De individualisering, de ontkerkelijking van de laatste decennia en de vaak terechte versobering van de godsdienstige praktijken en rituelen, onder invloed van het Tweede Vaticaanse Concilie, droegen daar toe bij. En toch weet dat volksgeloof zich in vele gradaties aan te passen aan onze snel veranderende samenleving. Bedevaarten kennen nog steeds succes. Zij het dan wel meer en meer in de vorm van religieus toerisme. Zo is Lourdes na Parijs de meest druk bezochte stad van Frankrijk. In warenhuizen vind je tegenwoordig een heel gamma van noveenkaarsen. Ook de grote bijval van commercieel geïnspireerde kerstmarkten, kerstconcerten en zelfs de vermaledijde kerstboomverbrandingen mag je onder die noemer plaatsen.

Maar wat met onze veldkapelletjes?

Vele eigenaars en verzorgers – jong en oud – zijn heel trots op hun kapelletje. Velen zijn zelfs openlijk niet meer kerkelijk maar aan 'hun kapel' mag niet geraakt worden. Het is vaak hun enige binding met godsdienst of geloof. Heel wat kapelletjes kennen nog devotiepraktijken. Ze worden vooral individueel bezocht. Mensen komen er een kaars branden of leggen er bloemen neer. Aan sommige wordt nog collectief gebeden vooral dan in de mei- en de oktobermaand of naar aanleiding van een Mariafeest.

Bijzonder merkwaardig is dat er in onze provincie in de periode 1990-2005 er nog maar liefst 170 nieuwe kapellen zijn bijgekomen op een geregistreerd totaal van 2530. Zeer divers van vorm, van toegankelijke kapellen, over mijtervormige nis- en muurkapellen tot de eenvoudige staakkapel. Het gaat dan telkens om van de openbare weg zichtbare en bereikbare kapellen. In werkelijkheid zijn er nog veel meer: boom- en gevelkapellen, klooster- en ziekenhuiskapellen, grotten ... Alleen al op het grondgebied van de fusiegemeente Ieper zijn er volgens dat criterium 96 geteld: 22 in Boezinge, 3 in Brielen, 5 in Dikkebus, 7 in Elverdinge, 6 in Hollebeke, 19 in Ieper, 4 in Sint-Jan, 17 in Vlamertinge, 6 in Voormezele, 4 in Zillebeke en 3 in Zuidschote. Voor de fusiegemeente Langemark-Poelkapelle 44, waarvan 4 in Bikschote, 28 in Langemark en 12 in Poelkapelle.

Het leeuwendeel van deze kapellen is toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, afnemend in mindere mate aan O.L.Vrouw van Banneux, Fatima, van La Salette, van Medjugorje en Pellevoisin. Een hele reeks kapellen is ook toegewijd aan O.L.Vrouw gekoppeld aan een plaatsnaam, bv. O.L.Vrouw van Thuyne (Ieper), van de Hallebast (Dikkebus) ... of aan een eigenschap, bv. O.L.Vrouw van Altijddurende Bijstand, van Zeven Smarten, van het Heilig Hart ...

Geschiedenis van de Mariadevotie

Die vertoont een duidelijke evolutie doorheen twintig eeuwen christendom. Onder invloed van religieuze stromingen, kerkelijke overheden en sommige kloosterorden, worden bij de Mariaverering telkens weer nieuwe accenten gelegd. De marialogie in de eerste eeuwen steunde hoofdzakelijk op het geloofsartikel dat de Christus is 'geboren uit de Maagd Maria'. De eerste verering had dus te maken met het geloof in de menswording van Jezus en de rol van Maria in dit alles. Van een echte cultische verering was tijdens die eerste periode nog helemaal geen sprake.

In de laat-Romeinse periode werden in ons land wel al enkele kerken aan Maria toegewijd. Dit was het geval in Tongeren, Doornik en Komen. Vanaf de vroegchristelijke tijd (4de-5de eeuw) werd door de Kerk een bijzondere verering tot Maria ingesteld. Het kerkelijke jaar kende dan vier feestdagen toegewijd aan een bijzonder feit uit het leven van Maria. Het oudste Mariafeest was het feest van de zuivering van Maria in de tempel (Maria Lichtmis). De overige drie waren: O.L.Vrouw Geboorte, de Boodschap van de engel Gabriël en Maria- Tenhemelopneming. De traditie van deze vier Mariafeesten werd vooral gevierd in het Byzantijnse Rijk en later door de westerse kerk overgenomen.

Ook de inzichten in en de houding tegenover de rol van Maria in het christelijke geloof kende een grondige evolutie. De voorchristelijke godsdiensten kenden allemaal het type van de oermoederfiguur. Het was dus vrij logisch dat de eerste christenen, in navolging van de Griekse en Romeinse heidense godsdiensten, ook hun 'oermoeder' wilden vereren.

De vroege Middeleeuwen bekeken Maria vooral als de 'goddelijke Koningin'. Maar dit beeld van Maria als een verre afstandelijke figuur kon bij de gelovigen maar weinig persoonlijke devotie oproepen. Dit zal grondig veranderen vanaf de 11de-12de eeuw. Onder invloed van de Dominicanen, de Karmelieten en de Cisterciënzers, ontstaat een heel nieuw Mariabeeld: Maria als een zachte, 'barmhartige en liefdevolle moeder'. In de 13de eeuw werd dan weer de nederigheid van Maria beklemtoond. Een Maria als de 'dienstmaagd van de Heer', een zichzelf wegcijferende Maria.

Vanuit dit inzicht was het maar een kleine stap naar een beeld van Maria als de 'lijdende moeder'. Vooral vanaf de 14de eeuw kende de figuur van Maria als de Mater Dolorosa, de O.L.Vrouw van de Zeven Smarten een brede verspreiding. Uit dit alles mag blijken dat de figuur van Maria meer en meer menselijke eigenschappen toegedicht kreeg. De grote doorbraak van de Mariaverering, met daarbij aansluitend de groeiende volksdevotie, kwam er pas echt in de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw.

We plaatsen enkele feiten die de devotie tot Maria stimuleerden op een rijtje.

1830: Rue du Bac in Parijs: Cathérine Labouré

1846: Verschijning in La Salette (Franse Alpen)

1854: Paus Pius IX: dogma van de onbevlekte ontvangenis

1858: Verschijning in Lourdes

1917: Verschijning in Fatima (Portugal)

1932: Verschijning in Beauraing

1933: Verschijning in Banneux

1954: Maria tot Koningin uitgeroepen, groot mariaal jaar

1961: Verschijning in San Damiano (Italië)

1981: Verschijning in Medugorje (voormalig Joegoslavië)

1987-1988: Tweede mariaal jaar

Dit alles was oorzaak van een massale verspreiding en beleving van de Mariadevotie. De neerslag hiervan vindt men terug in gebedsteksten, litanieën, de hoge vlucht van regionale en internationale bedevaarten, de blijvende zorg voor de Mariakapellen, het grote aantal kerkelijke Mariafeesten (36 in totaal), de intussen verdwenen Mariacongregaties enz.

En wat met de Mariaverering in onze huidige samenleving?

Na het tweede Vaticaans concilie kende de volksdevotie een grote terugval. Van de vroegere heiligenverering bleef niet zoveel over. Wat rest kleurt eerder als plaatselijke folklore. Alleen de Mariadevotie houdt enigszins stand. Nieuwe inzichten in de rol en de betekenis van Maria brengen ons terug bij de Moeder Gods uit het evangelie. Dit vraagt een sober en eenvoudig geloof in de helpende kracht van de Maagd Maria.

Kapel en samenleving

Ook grote stromingen in het sociale, economische, maatschappelijke en religieuze leven of ingrijpende gebeurtenissen waren niet zonder gevolgen voor de volksdevotie en hebben de aard en de verspreiding van kapellen altijd enigszins beïnvloed. Zo kregen tijdens en een korte tijd na de Middeleeuwen de devotionele praktijken in kerk en kapellen een overdreven karakter. In de 15de eeuw kwam daar, door toedoen van het humanisme, een felle reactie op die ten slotte zou uitmonden in de Beeldenstorm (1566). Dat betekende het einde van heel wat kapellen, heiligenfeesten, ommegangen en processies.

De Contrareformatie, onder impuls van het concilie van Trente (1545-1563), zal zich dan weer afzetten tegen de invloeden van de Reformatie. In de eerste helft van de zeventiende eeuw zal de kerkelijke overheid proberen, en met succes, de vele devoties in kerken en kapellen te herstellen. Veel mirakellegenden stammen dan ook uit die periode. In de tweede helft van de 19de eeuw krijgen we opnieuw n.a.v. de al eerder geciteerde verschijningen opnieuw een opstoot van nieuwe kapellen. Het grootste deel van onze oudste, nog bestaande kapellen dateert trouwens uit die periode.

Ook de cholera (1866) en meerdere tyfusepidemieën waren aanleiding tot een nieuwe golf van kapelletjes. En uiteraard hebben ook beide wereldoorlogen gezorgd voor een enorme groei van het aantal kapelletjes. Volledigheidshalve moet hieraan worden toegevoegd dat die oorlogen, vooral WO I, ook heel wat kapelletjes deden sneuvelen. Een aantal werd na de oorlog nooit meer heropgebouwd. ‘Den Grooten Oorlog’ brengt ons tenslotte naar Zonnebeke, naar de Frezenbergstraat, naar de koortskapel van de Westhoek (Foto 2 en 3). In die kapel hangen twee krukken van Martha Bryon. Op 25 april 1915 werden vier leden van de familie Bryon gedood bij een bombardement op de Frezenberg. Het derde dochtertje Martha werd zwaargewond aan het linkerbeen. Franse soldaten brachten haar naar Ieper. Via Poperinge en De Panne belandde het meisje tenslotte in Neuville-sous-Montreuil. Daar werd ze in het Hôpital Civil Belge in de voormalige kartuizerabdij La Chartreuse, bijna anderhalf jaar verpleegd. Bij haar terugkeer bad ze tot O.L.V. Nood zoekt Troost en beloofde ze haar krukken in de kapel op te hangen als ze mocht genezen. In 1923 kon ze haar krukken offeren aan O.L.V. van de Westhoek. Hoewel ze enigszind beperkt bleef in haar bewegingen mens achtte voordien geen mens het mogelijk dat ze ooit nog zou kunnen stappen.

Eveneens in 1915 waren enkele gezinnen in het zwaar belegerde Zonnebeke tot op het laatste moment in hun woning gebleven. Theofiel Santy beleefde bij de O.L.V.-kapel aan de Ieperstraat een wonderlijke gebeurtenis. Hij getuigt: “Ik was elf jaar oud als de oorlog uitbrak. In het begin van mei in 't jaar vijftien woonden we nog altijd in de tweewoonst. Binst een bombardement lagen we plat op de vloer in de achterkeuken. Als het meeste geweld over was, vluchtten we het huis uit. Moeder met het kleinste kindje op de arm, verloor haar kloefjes in het slijk. Op handen en voeten kropen we langs de achtergevel van Loncke's tot achter het veldkapelletje. Al meteens ontplofte op nog geen honderd meters van ons een grote bom. De aardekluiten vlogen ons om de oren, en als bij wonder werd niemand gekwetst. Eén ding ...we waren allemaal 'kavezwart' van de rook”. Aldus Guido Vermeulen, in z'n artikel over 'Jules Macheleins veldkapelleke' in 'Het Zonneheem, 4 (1975).

Ook de O.L.V.- kapel, de Kattekapel in de Roeselarestraat, werd na de oorlog in 1921 heropgebouwd, precies boven een Franse loopgraaf. Jarenlang kwam een Franse moeder daar bloemen brengen in de kapel als nagedachtenis aan haar gesneuvelde zoon.

 

Enkele interessante naslagwerken:

Volksdevotie in West-Vlaanderen, Walter Giraldo, Uitgeverij Marc van de Wiele, 1989

Waar men gaat langs West-Vlaamse wegen, Valentin Degrande, 2008

Hits: 556